Jeugdherinneringen van mw. A.Hünt (1919)

het_snoepwinkeltjeDe snoepwinkel van vrouwtje Hakstege in de Havenstraat (foto), tegenover de speelplaats van de openbare school no.I. Voor degenen die in de twintiger jaren die school bezochten een bekende plek, waar ze ongetwijfeld dikwijls smachtend voor hebben gestaan; soms een halve of hele cent rijk, er binnen gingen. Vrouwtje Hakstege, voor zover ik mij herinner een tandloos, heksachtige figuur, die met ijzeren hand in haar winkel regeerde. Vóór de toonbank mocht je staan, nergens aankomen, zelfs niet wijzen.

Omdat er in 1919 gebrek aan woonruimte was in het toen nog kleine Wageningen, huurden mijn ouders het woongedeelte boven de winkel.We woonden er tot de eerste woningen van het bouwplan Irene klaar waren en verhuisden toen, omstreeks 1921 naar die nieuwe buurt. Het wonen boven vrouwtje Hakstege was niet gemakkelijk. Altijd pantoffels aan en rustig zijn, want vrouwtje kon niet tegen drukte in huis. Met haar man, Gijs, een klompenmaker woonde zij achter de winkel, in een woonkeuken, waar ook de bedstee was. ’s Morgens vroeg (misschien 6 uur) was vrouwtje al present, liet dan de winkelbel een paar keer gaan, zodat die luie, jonge mensen boven hoorden dat zij al op was. Later ging Gijs klompeklossend door de straat naar zijn werk in de Junusstraat. Ze hield alles in de gaten, zat meestal in een kamertje naast de winkel vóór het raam en overzag hetgeen gebeurde in de straat. Veel was dat niet, want auto’s waren er niet; zover ik me herinner ook geen fietsen; er kwamen dus alleen voetgangers door de straat en ook die waren te tellen.

Buurtbewoners waren, links ie familie In ’t Veld en rechts de familie De Leeuw (?). Dе burgemeester, Hesselink van Suchtelen, woonde er schuin tegenover, op de hoek van de Dijkstraat. 33. Hij ging lopend naar het gemeentehuis. Ernaast, bij de gracht woonde dokter Niemeijer. Ook hij liep veel, ging soms per koets en had later een fiets. De patiënten voor het spreekuur werden binnengelaten door de dienstbode. Particuliere patiënten (de niet verzekerden) werden naar de salon gebracht, de anderen, zgn. fondspatiënten wachtten in een kleine kamer op hun beurt. De patiënten in de salon werden eerst geholpen.

De huizen in de Havenstraat waren ruim; of er riolering was weet ik niet. In ieder geval niet in het bovenhuis waar wij woonden. Op de gang was een hokje met een “plee”. Mijn ouders, komend uit een huis met goede sanitaire voorzieningen, hadden er geen erg in, dat de “plee” een melkbus was, die tot hun schrik op een moment vol was en door mijn vader in de tuin geleegd moest worden. De overgang van de stad naar het stadje Wageningen was voor hen wel heel groot!

[bron: Oud-Wageningen 17 (1989) 2: 27-28]