19e eeuwse bouwkunst in Wageningen

(H. Mooibroek)

De wereld verandert snel, en wij met haar. Zeker geldt” dit” voor de 19de eeuwse bouwkunst die in de loop van enkele decennia’s een herwaardering onderging, en anno 1983 niet meer valt weg te denken voor ieder die onze historische bouwkunst ter harte gaat. Het is merkwaardig gesteld met de bouwkunst in ons land. Schilderijen van 19de eeuwse meesters als Koekoek en Sluyter, van Jongkind en de Braekeleer worden voor geweldige bedragen geveild, worden veilig opgeborgen en met zorg omringd in onze musea.

De bouwkunst van die tijd, waarvan de makers toch zeker even knappe vakmensen waren is vogelvrij en werd lange jaren als niets geacht. Toch is de 19de eeuw geen slaapverwekkende geschiedenis geweest. Bijkans alle geestelijke en politieke stromingen die vandaag nog ons maatschappelijk en culturele leven bepalen vonden hun oorsprong in deze vaak verguisde jaren. Ook de bouwkunst in deze eeuw is in feite niet anders dan een neerslag van datgene wat er in die tijd werd gedacht, gevoeld en gesproken, kortom van het maatschappelijk en geestelijk klimaat, zo men wil van het culturele leven van die tijd. Bovendien was het de eeuw van de op gang komende industrialisatie welke niet alleen zijn invloed had op het wel en wee van de industriearbeiders, maar ook op het bouwen zelf. Weliswaar was het gewapend beton nog niet in gebruik maar wel werden de eerste ijzeren spoorbruggen gebouwd. Het nationale en internationale wegen- en spoorwegennet breidde zich vooral in de 2e helft van deze eeuw snel uit en de telegraaf gaf, vergeleken bij de briefpost een sterk verbeterde communicatie, die internationale contacten op allerlei gebied bevorderde. Wereldtentoonstellingen in Londen – The Great Exhibition – in 1851, en Parijs in 1889, gingen gepaard met bouwwerken als het Chrystal Palace en de Eiffeltoren en stimuleerden daarmee ‘de vooruitgang’ tot in verre uithoeken van Europa. Ook in Wageningen waren diverse tentoonstellingen in deze jaren niet van de lucht. Na de grote landbouw- en veetentoonstelling in 1872, die de centrale positie van de stad in de regio bevestigde, werd in het jaar daarop de Landbouwschool geopend. Enkele jaren nadien in 1877, werd de stad uitgekozen als vestigingsplaats van de Rijkslandbouwschool. Deze instelling is tot vandaag toe van grote invloed geweest op de gehele maatschappelijke ontwikkeling van de stad en heeft de naam Wageningen tot een begrip gemaakt tot ver buiten de landsgrenzen. Eén en ander was mede oorzaak dat de bevolking zich in deze jaren snel uitbreidde, hetgeen zijn repercussies had op de stadsuitbreiding. Muren, wallen en grachten waren vanouds het harnas waarin de steden gevangen zaten. Hoewel eerst aarzelend, begint na 1850 ook in Wageningen het proces van de stadsuitleg.

Evenals in vele andere steden wordt ook hier de bekende tuinarchitect, J.D. Zocher, ingeschakeld, die wallen, bastions en grachten transformeert in een romantische plantsoenaanleg. Tegen deze achtergrond ontwikkelen zich in Wageningen de eerste plannen. Aan de westzijde van de stad, in het gebied begrensd door Grebbedijk, de Havenweg, de Nudestraat en de stadsgracht, komt in 1858 de eerste ruimte beschikbaar, niet dan nadat de dijk hier werd omgelegd om het gebied te vrijwaren voor wateroverlast. Reeds in 1859 wordt het eerste pand ‘Het Hof van Gelderland’ gebouwd, dat meer dan een eeuw de toegang tot de stad beheerste, totdat het voor enkele jaren terug werd afgebroken. Aan de Nudestraat verschenen in 1870 de eerste woningen, gebouwd door de kooplieden H . Holtus en A. van de Berg. Het waren echte herenhuizen met ruime tuinen aan de achterzijde. Zowel stedenbouwkundig als architectonisch vertonen ze nog het klassieke beeld zoals dit in de oude steden was gegroeid. Wel valt op dat ze ‘in einem Gusz’ zijn gebouwd. De verdiepingshoogten zijn gelijk en de goten hebben alle dezelfde hoogte en alle vijf liggen ze onder één kap met plat. Toch heeft men al het mogelijke gedaan om binnen deze grote bouwvorm ieder pand weer afzonderlijk te laten spreken. Het middelste pand en de beide hoekpanden hebben witgepleisterde gevels, de beide andere als schoonmetselwerk uitgevoerde gevels,.hetgeen aan het gehele blok een sterke symmetrie geeft. De eenheid van dit blok wordt nog eens geaccentueerd door de afgeschuinde hoeken van de eindgevels. Ook in onderdelen is er variatie aangebracht in de behandeling van ramen, deuren en gootfriezen» alles om de schijn van het individuele pand in stand te houden. We voelen aan alles dat hier een barrière lag, gewend als men was aan de van ouds bekende straatbeelden die waren ontstaan door de aaneenschakeling van individuele panden. Toch is het een bijzonder gaaf geheel geworden, waarin zeker ook meespeelt de naar boven steeds lager wordende verdiepingshoogte, terwijl de zware gootfriezen, zo inherent aan de klassieke periode, een voorname afsluiting geven waarbij het dakelement visueel bijkans wegvalt. Ook bij de hoekpanden is de voorgevel duidelijk dominant ondanks de voordeur in de zijgevels. Ook valt op dat de naar de stad toegekeerde zijgevel een rijkere behandeling kreeg met een licht risalerende middenpartij en blindnissen. De zijgevel op de hoek van de Dijkstraat is veel soberder en vrijer uitgevoerd. Ondanks aanmerkingen die men zou kunnen hebben, met name dat dergelijke panden toch niet die fijnzinnigheid uitstralen als soortgelijke panden in de classicistische periode, kan toch de grote waarde ervan als stedenbouwkundig element in een nieuwe fase van stadsuitleg niet worden ontkend. Ondanks bedenkingen is hier toch een sterke straatwand ontstaan die de concurrentie met de hedendaagse amorfe straatwanden glansrijk doorstaat . Jammer dat het tegenoverliggende fraaie ‘Welgelegen’ ook onder de slopershamer moest vallen, temeer daar de huidige nieuwbouw geen enkele respons geeft op de omschreven fraaie zuidwand.

Enkele jaren later, in 1874» werd de Maatschappij Nieuw Wageningen opgericht waarin vele plaatselijke notabelen zitting hadden. Deze Maatschappij zou de verdere plannen in deze hoek van de stad moeten realiseren. Uit de vele panden die in dit gebied toen werden neergezet, kiezen we de villa ‘Arion’, gebouwd in opdracht van G . J . Vos Az., leraar aan de Rijkslandbouwschool. We kiezen dit voorbeeld omdat het belangrijk is voor de nadere ontwikkeling van het bouwen in deze tijd Niemeyerstraat ‘Arion’ Evenals de naastgelegen villa ‘Bella Vista’ zijn beide huizen nog geheel opgetrokken in een classicistische trant met brede gootfriezen, met water- en cordonlijsten en op de hoeken geblokte en/of van schachten voorziene pilasters; alles in imitatienatuursteen. In tegenstelling tot de buurman heeft de villa ‘Arion’ echter een sterk vooruitspringend gedeelte aan de voorzijde, waarbij dus zeer uitdrukkelijk wordt gebroken met de traditie en bewust en geforceerd de asymmetrie werd geïntroduceerd. Deze asymmetrie is kenmerkend geworden voor vele bouwwerken die in het laatste kwart van de negentiende eeuw tot aan de eerste wereldoorlog werden gebouwd. In de negentiende eeuwse uitleg van alle Nederlandse steden is deze asymmetrie terug te vinden, niet alleen in straatwanden, maar ook in de in zwang komende villawijken. Een aardig voorbeeld hiervan is de schoolmeesterswoning aan de Dijkstraat no 4, die in 1882 werd gebouwd. Is er bij de villa ‘Arion’ nog sprake van één bouwmassa met een sterk vooruitspringend deel, bij de schoolmeesterswoning is een duidelijke tweedeling opgetreden. Het zijn nu twee bouwmassa’s geworden met sterke onderlinge verschillen in goot- en dakhoogte en vaak ook in de behandeling der gevels. Eigenaardig is ook dat de hoofdtoegangsdeur in de regel op de scheiding van de beide bouwmassa’s werd geplaatst en wel in de terugliggende gevel. De naar de achtergevel doorlopende gang is de separatie tussen de twee delen van het huis, waarvan het één de hoofdvertrekken bevat en het lage deel, de eetkamer en de keuken. Een aardig voorbeeld van deze ontwikkeling vinden we ook in enkele panden aan het Bowlespark, nlm. de no’s 2 en 17• Bowlespark 2, reeds vóór 1890 gebouwd, heeft nog een sterk klassieke ‘outfit’ met gepleisterde gevels, geblokte pilasters op de hoeken, cordonbanden en gepleisterde lijsten boven de ramen. Bowlespark 17 dat veel later, pas na de eeuwwisseling werd gebouwd, heeft gevels in schoon-metselwerk met de zgn. speklagen.

Maar nu zijn we al aangeland in het Bowlespark, dus aan de oostzijde van de stad, waar enkele decennia later pas nieuwe bebouwing aan de orde was. Van een uitbreiding in de stad kan hier amper worden gesproken, daar de ontwikkelingen zich hier praktisch beperken tot het v.m. kasteelterrein dat geheel binnen de vesten lag. J.S. Bowles had dit kasteelterrein in 1882 gekocht en stichtte naderhand De Maatschappij tot Exploitatie van onroerende goederen ‘Bowlespark’. De bebouwing van dit op eigen naam gestichte park werd voornamelijk in de negentiger jaren gerealiseerd. Hoewel het hier geen groot gebied betreft en de bouwjaren der verschillende panden niet zo ver uiteenlopen is het toch interessant te zien hoeveel verschillen hier nog liggen. Het is een echt Bowlespark want niet minder dan 4 panden dragen een gevelsteen met de naam van deze familie. Eerst is er het reeds in 1894 gebouwde dubbele herenhuis no 25 en 26 met een gevelsteen waarop de naam W . P . Bowles. Dit pand is geheel symmetrisch van opzet met gespiegelde plattegronden. De voordeuren der beide panden zijn gevat in een middenrisaliet dat naar boven toe op de zolderverdieping eindigt in een dubbele dakkapel. De brede cordonlijsten ter hoogte van de verdieping èn de zware gootfriezen geven een sterke horizontale tegenbeweging op de verticale richting van het middenrisaliet en de raamopeningen. Hierdoor ontstond een ingetogen en evenwichtige gevelwand waarvan vooral de kuifbogen boven de benedenramen bijzonder spraken. In 1895 werd aan de dijkzijde van het plein een complex van drie woonhuizen gebouwd namelijk de nummers 20, 21 en 22. Volgens de eerste stenen behoorden ze respectievelijk aan: K, J.S., en R.C . Bowles. De initiatiefnemer en direkteur van eerder genoemde exploitatiemaatschappij had hier een strategisch punt uitgekozen voor zich en zijn familie. Immers de panden lagen op de kop van het park en waren met de achterzijde met een tuin tegen de dijk gesitueerd. Het gehele complex bestaat uit begane grond, verdieping en kap met plat en het is ook hier symmetrisch van opbouw met twee risalerende gevelgedeelten ter weerszijde van het centrale pand, de woning van J.S. Bowles. Dit pand was dan ook wat voornamer uitgevoerd waarbij vooral de op de verdieping uitgebouwde erker opvalt, die niet alleen als centrale as van het complex maar toch ook van het gehele park moest dienen en aangaf dat de bewoner en zijn huis in het geheel domineerden. De beide topgevels op de risalieten versterken nog eens de symmetrie van het geheel. De op kraagstenen uitgebouwde geveltoppen zijn met banden en bogen rijk versierd, waarbij jammer genoeg de bekroning in de loop der jaren verdween. In het volgende jaar 1896 worden aan de oostzijde van het park een achttal woningen gebouwd. Nog meer dan in de 3 Bowleshuizen werden hier alle registers van voorbije stijlperioden opengetrokken. Bowlespark 9 – 16 Vensters met halfronde raamtoppen met korf en segmentbogen wisselen af met tympanen en rechte lijsten. Barokke gootfriezen en dakvensters in het leien dak, renaissance banden en vensterlijsten in de gevels, het houdt niet op. Hoewel ‘als een geheel’ gebouwd, wilde men ook hier het individuele karakter der afzonderlijke panden benadrukken. Met elkaar gaf het echter een bont complex dat weliswaar een sterke ge- varieerde pleinwand deed ontstaan, maar uit architectonisch oogpunt wel iets te veel van het goede gaf. Het gehele Bowlespark ademt ondanks alle vernieuwingsdrang in deze jaren toch nog een vrij traditionele geest. Ook is van echte vrijstaande villa’s alleen sprake aan de noordzijde van het park,waar in de oorlog enkele panden geheel werden verwoest. Be nieuwe sterk contesterende nieuwbouw, die er voor in de plaats is gekomen doet zien hoe voorzichtig men moet zijn met het houwen in een oude stad. Hoewel al de besproken panden werden gebouwd in een tijd van opkomende industrialisatie – ook de eerste machines in de timmerwerkplaats verschenen – was het bouwen toch nog sterk ambachtelijk bepaald. Die grote vakkennis zien we bijvoorbeeld in het gave metselwerk waarin de zorgvuldig aangebrachte en kunstige bogen en strekken boven de ramen nog onze bewondering opwekken. Ook in de vaak rijk bewerkte voordeuren zien we staaltjes van bijzonder vakmanschap van de timmerman. Waar de industrie wel reeds een rol ging spelen was bijvoorbeeld bij de vervaardiging van wand- en vloertegels met de bekende stempelpatronen. Wanden met deze tegels gemaakt kregen een veel strakker patroon en een killere aanblik dan voorheen de handgevormde productie had.

De beschreven periode tussen 1880 – 1900 geeft een duidelijke overgangsfase weer. Enerzijds was de traditie nog erg taai en kan men moeilijk loskomen van de oude en vertrouwde waarden. Anderzijds bood de vooruitgang nieuwe perspectieven waar men wel voor open stond maar toch nog niet goed wist hoe men er mee verder moest. Het is geen nostalgie als we toch voor deze periode grote bewondering kregen. Immers het was voor allen die bij het bouwen waren betrokken een worsteling om tot nieuwe inzichten te komen; tot nieuwe vormen die de geest van de tijd in de materie uitbeelden. Even heeft men gedacht in de eerste jaren na de eeuwwisseling – dat de ‘Art Nouveau’ of ook de ‘Jugend-stil’ hier een antwoord op had. Maar ook dit was een zeer korte periode die in ons land geen diepe sporen heeft nagelaten en nog minder in Wageningen. In het heden, waarin onze waardering voor de vormgeving van onze getouwde omgeving “blijkbaar geheel is afgestompt door de geïndustrialiseerde “bouw met zijn massa-productie, is het goed ons nogmaals te bezinnen op het laatste kwart van de 19de eeuw. Misschien kunnen we er nog iets van leren.

 [bron: gezicht op de geschiedenis van Wageningen n2-1983]